Dubbelrelais injectie (BSM)
(1) dubbelrelais
Het dubbelrelais is opgenomen in de zekering- en relaiskast van de motor (BSM)
Het eerste relais zorgt voor de voeding van de volgende onderdelen
- De elektronische eenheid injectie/inspuiting
- De lambdasondes
Het tweede relais zorgt voor de voeding van de volgende onderdelen
- Opvoerpomp (lage druk)
- Elektronische eenheid inspuiting (vermogenstrap)
De airbagmodulatoren zijn voorzien van de functie onderbreking voeding opvoerpomp (laten vervallen van de traagheidsschakelaar)
De 2 relais worden bediend door de elektronische eenheid inspuiting
De BSM kan bij een aanrijding de voeding van het tweede relais onderbreken
Bij het afgaan van een gordelspanner of airbag wordt de brandstoftoevoer onderbroken (onderbreking voeding van tweede relais)
Starten van de motor
- Zet het contact af
- Zet het contact aan
OpmerkingAls het contact is afgezet, blijft de voeding van het dubbelrelais gedurende 10 seconden gehandhaafd, of 6 minuten in het geval van nakoeling (eerste en tweede relais)
Toerentalsensor (1313)
Verzekerde functies
De sensor is tegenover de tanden op het vliegwiel aangebracht
Taak van de elektronische eenheid inspuiting aan de hand van de ontvangen informatie
- Controle van het stationair toerental
- Bepalen van de stand van het draaiend gedeelte
- Berekenen van de ontstekingsvervroeging
- Regelen van het stationair toerental
Beschrijving
Het betreft een inductieve sensor
Samenstelling van de sensor
- Een permanente magneet
- Een spoel
De sensor levert een elektrisch signaal als er een tand op het vliegwiel passeert (verandering van het magnetisch veld)
De 58 tanden dienen om het toerental van de motor te bepalen
De 2 ontbrekende tanden dienen om de stand van de krukas te kunnen bepalen (geen signaal)
OpmerkingDe grootte van de luchtspleet is niet afstelbaar
Bijzonderheden elektrische installatie
Bestemming van de aansluitingen van de stekker
- Aansluiting 1: signaal
- Aansluiting 2: massa
- Aansluiting 3: afscherming (*)
(*) volgens uitvoering
Weerstand tussen aansluiting 1 en 2: 425 - 525 Ω
Bijzonderheden van de verzonden signalen: wisselspanning met variabele frequentie
Plaats
Plaats: op het koppelingscarter
Wagensnelheidssensor (1620)
Toepassing: afhankelijk van de uitvoering
Verzekerde functies
De sensor informeert de elektronische eenheid over de snelheid van de auto
Taak van de elektronische eenheid inspuiting aan de hand van de ontvangen informatie
- Bepalen van de snelheid van de auto
- Bepalen van de ingeschakelde versnelling
- Verbeteren van het stationair toerental tijdens het rijden
- Verbeteren van de acceleratie
- Verminderen van het schokken en stoten van de motor
Beschrijving
Sensor met "Hall-effect"
- 5 "pieken" per meter
- 8 "pieken" per omwenteling
Bijzonderheden elektrische installatie
Bestemming van de aansluitingen van de stekker
- Aansluiting 1: + 12-volts voeding (dubbelrelais motormanagementsysteem)
- Aansluiting 2: massa
- Aansluiting 3: signaal
Plaats
De sensor bevindt zich op de versnellingsbak
De positiesensor nokkenas (1115)
Verzekerde functies
Taak van de elektronische eenheid inspuiting aan de hand van de ontvangen informatie
- Synchroniseren van de inspuitingen ten opzichte van de stand van zuigers
- Herkennen van het BDP
- Bepalen van het overslaan van de motor
Beschrijving
Sensor met "Hall-effect"
De nokkenassensor stuurt een blokvormig signaal naar de elektronische eenheid inspuiting
Bijzonderheden elektrische installatie
Bestemming van de aansluitingen van de stekker
- Aansluiting 1: + 5-volts voeding
- Aansluiting 2: signaal
- Aansluiting 3: massa
De spanning varieert van 0 tot 5 V
Verzonden signaal
- Sensor aan een metalen massa: 0 Volt
- Sensor niet aan een metalen massa: 5 Volt
Plaats
Plaats: op cilinderkop, tegenover een inpulsrand aangedreven door de nokkenas
Gaspedaalsensor (1261)
Verzekerde functies
De sensor is via een kabel met het gaspedaal verbonden
Taak van de sensor
- Registreert het commando van de bestuurder (acceleratie, snelheidsvermindering)
- Geeft de informatie door aan de inspuitcomputer
Taak van de elektronische eenheid inspuiting aan de hand van de ontvangen informatie
- Bepalen van de werkingsfase van de motor
- Bepalen van de stand van de gemotoriseerde smoorklep
- Bepalen van de injectietijd
- Bepalen van de vervroeging van de ontsteking
- Bepalen van de injectiedruk
Beschrijving: gaspedaalsensor op afstand
Betreffende wagen: Citroën C5 - BERLINGO 2 - XSARA PICASSO
De gaspedaalsensor levert 2 signalen (spanning)
De waarde van het spanningssignaal is gelijk aan de helft van het andere signaal
De signalen op de aansluitingen van de stekker worden voortdurend met elkaar vergeleken om eventuele storingen te kunnen ontdekken
OpmerkingDe gaspedaalsensor heeft geen contact
Bestemming van de aansluitingen van de stekker
- Aansluiting 1: uitgangssignaal 1
- Aansluiting 2: uitgangssignaal 2
- Aansluiting 3: 5 Volt
- Aansluiting 4: massa
Gaspedaal los
- Spanning tussen massapunt en aansluiting 1: 0,3 tot 0,6 V
- Spanning tussen massapunt en aansluiting 2: 0,15 tot 0,3 V
Gaspedaal volledig ingetrapt
- Spanning tussen massapunt en aansluiting 1: 3,5 tot 4 V
- Spanning tussen massapunt en aansluiting 2: 1,75 tot 2 V
Plaats, in de motorruimte
Beschrijving: gaspedaalsensor in gaspedaal
Betreffende wagen: Citroën C3
De gaspedaalsensor levert 2 signalen (spanning)
De waarde van het spanningssignaal is gelijk aan de helft van het andere signaal
De signalen op de aansluitingen van de stekker worden voortdurend met elkaar vergeleken om eventuele storingen te kunnen ontdekken
OpmerkingDe gaspedaalsensor heeft geen contact
Bestemming van de aansluitingen van de stekker
- Aansluiting 1: uitgangssignaal 1
- Aansluiting 2: uitgangssignaal 2
- Aansluiting 3: 5 Volt
- Aansluiting 4: massa
Gaspedaal los
- Spanning tussen massapunt en aansluiting 1: 0,3 tot 0,6 V
- Spanning tussen massapunt en aansluiting 2: 0,15 tot 0,3 V
Gaspedaal volledig ingetrapt
- Spanning tussen massapunt en aansluiting 1: 3,5 tot 4 V
- Spanning tussen massapunt en aansluiting 2: 1,75 tot 2 V
Sonde temperatuur koelvloeistof motor (1220)
Verzekerde functies
De koelvloeistoftemperatuursensor informeert de elektronische eenheid over de temperatuur van de koelvloeistof
Taak van de elektronische eenheid inspuiting aan de hand van de ontvangen informatie
- Aanpassen van de inspuithoeveelheid tijdens starten
- Stel het stationaire toerental af
- Zorgen voor een geleidelijke daling van het verhoogd stationair toerental naarmate de motor op temperatuur komt
Beschrijving
De sonde is opgebouwd uit een weerstand van het type CTN (weerstand met negatieve temperatuurscoëfficient)
Hoe hoger de temperatuur, des te kleiner de weerstand
Bijzonderheden elektrische installatie
Voeding: elektronische eenheid inspuiting
Bestemming van de aansluitingen van de stekker
- Aansluiting 1: + 5-volts voeding
- Aansluiting 2: signaal
Elektrische kenmerken
- Weerstand bij 20 °C = 6250 ohm
- Weerstand bij 80 °C = 600 ohm
Luchttemperatuursonde (1310)
Verzekerde functies
De sensor luchttemperatuur informeert de elektronische eenheid over de temperatuur van de aangezogen lucht
Taak van de elektronische eenheid inspuiting aan de hand van de ontvangen informatie
- Berekenen van de dichtheid van de omgevingslucht
- Bepalen van de hoeveelheid te injecteren brandstof
Beschrijving
De sensor bestaat uit een NTC-weerstand (negatieve temperatuurscoëfficiënt)
Hoe hoger de temperatuur, des te kleiner de weerstand
Pingelsensor (1120)
Verzekerde functies
Doordat de sensor een pingelsignaal afgeeft kan de computer de ontstekingsvervroeging corrigeren (reductie)
Het pingelen is een trillingsverschijnsel dat optreedt door een detonerende verbranding van het lucht/brandstofmengsel in één van de 4 cilinders
De sensor stuurt in geval van pingelen spanningspieken naar de elektronische eenheid inspuiting
Aan de hand van de informatie over het pingelen vermindert de elektronische eenheid de onstekingsvervroeging en zorgt hij tegelijkertijd voor een rijker lucht/brandstofmengsel
Bijzonderheden elektrische installatie
Voeding: elektronische eenheid inspuiting
Bestemming van de aansluitingen van de stekker
- Aansluiting 1: + 5-volts voeding
- Aansluiting 2: signaal
- Aansluiting 3: afscherming (*)
(*) volgens uitvoering
Plaats
Plaats: motorblok
Voorste lambdasonde (1350)
Verzekerde functies
Plaats: de lambdasonde is in de uitlaat geplaatst tussen de motor en de katalysator
De koolwaterstoffen beïnvloeden de referentielucht in de sonde en daarmee het mengselsignaal
Taak van de elektronische eenheid inspuiting aan de hand van de ontvangen informatie
- Bepalen van het mengsel (mengselregeling)
- Mengselregeling
Beschrijving
De lambdasonde levert praktisch permanent informatie aan de elektronische eenheid over het lucht-benzinemengsel
De informatie "rijk" of "arm" wordt verkregen door een spanning van 0 tot 1 V
- Arm mengsel = 0,1 V
- Rijk mengsel = 0,9 V
Een in dit element geïntegreerde verwarmingsvoorziening zorgt ervoor dat hij snel zijn bedrijfstemperatuur kan bereiken (hoger dan 300 °C)
Bijzonderheden elektrische installatie
De sonde is voorzien van een 4-polige stekker met beugel
Bestemming van de aansluitingen van de stekker
- Aansluiting 1: + 12-volts voeding (verwarming van de lambdasonde)
- Aansluiting 2: massa
- Aansluiting 3: signaal +
- Aansluiting 4: signaal -
Manocontact van stuurbekrachtiging (7001)
Verzekerde functies
Het manocontact van de stuurbekrachtiging stelt de motor in staat het stationair toerental te verhogen bij parkeermanoeuvres
Omstandigheden voor het verhogen van het stationair toerental
- Snelheid lager dan 4 km/h
- Manocontact bediend (stuurbekrachtiging)
Plaats
Op de leiding tussen de pomp en de stuurklep
Elektronische eenheid inspuiting (1320)
Verzekerde functies
De motormanagementcomputer regelt de injectie aan de hand van de informatie over de belasting
- De elektronische eenheid injectie berekent het vereiste motorkoppel aan de hand van informatie van de sensor gaspedaal
- Daarbij wordt rekening gehouden met diverse aanpassingen (koppel geabsorbeerd door de dynamo, de aircocompressor,...)
- Het gevraagde koppel wordt vertaald in een bepaalde injectieduur en -timing, de stand van de smoorklep en de vervroeging van de ontsteking
De computer regelt de ontsteking en de inspuiting aan de hand van de verschillende parameters die hij ontvangt
Deze parameters zijn
- Het motortoerental en de stand van de krukas (BDP-sensor - positiesensor nokkenas)
- De druk van de inlaatlucht (druksensor)
- De stand van het gaspedaal
- De motortemperatuur temperatuursensor koelvloeistof
- De temperatuur van de in de cilinders gevoerde lucht (sensor luchttemperatuur)
- De koelvloeistoftemperatuur
- Het door de dynamo opgenomen koppel
- Het door de aircocompressor opgenomen koppel (berekening)
- De snelheid van de auto (wagensnelheidssensor snelheidssignaal geleverd door de elektronische eenheid ESP)
- Het zuurstofgehalte van het uitlaatgas (lambdasonde)
- Het pingelen (pingelsensor)
- Het inschakelen van de airconditioning
- De accuspanning
- De druk in het circuit van de stuurbekrachtiging
- Elektronische eenheid automatische transmissie
Met gebruikmaking van deze informatie bedient de elektronische eenheid
- De opening van de smoorklep
- De regeling van het stationair toerental
- De ontstekingsvervroeging en de bekrachtigingsstijd van de bobine
- De hoeveelheid ingespoten benzine, evenredig aan de openingstijd van de verstuivers
- De recirculatie van de benzinedampen (elektroklep koolstoffilter)
- De onderbreking van de injectie bij overtoerentallen en tijdens gas terugnemen
- De onderbreking van de airconditioning
- De toerenteller
- De verwarmingsweerstand van de lambdasonde (achterste lambdasonde, voorste lambdasonde)
- De secundaire luchtpomp (functie luchtinjectie in de uitlaat)
- De klep van de uitlaatgasrecirculatie
De elektronische eenheid regelt eveneens de volgende functies
- De noodloopfuncties
- De diagnose met registratie van storingen
- Snelheidsregeling
- Het verminderen van het motorkoppel tijdens het ingrijpen door het ESP
- Koeling motor
- Behoefte aan koeling voor airconditioningssysteem (BRAC)
- Snelheidsregeling
- Transponder
- Dialoog met de overige computers (BVA, ISC, ABS,...) via het netwerk CAN (**)
(**) CAN = Controller Area Network
Updaten van de software van de elektronische eenheid motor door middel van herprogrammeren (elektronische eenheid met een flash EPROM)
Bestemming van de aansluitingen van de stekker
| nummer van de aansluiting | verklaring van de aansluitingen |
|---|---|
| A1 | ingang: gasklepsensor nr. 1 |
| A2 | ingang: informatie sensor buitentemperatuur |
| A2 | massa |
| A3 | massa |
| A4 | (vrij) |
| B1 | massa |
| B2 | (vrij) |
| B3 | ingang: signaal (-) van de pingelsensor |
| B4 | ingang: gasklepsensor nr. 2 |
| C1 | 5-volts voeding |
| C2 | (vrij) |
| C3 | ingang: signaal (+) van de pingelsensor |
| C4 | ingang: laden dynamo |
| D1 | (vrij) |
| D2 | uitgang: verwarming lambdasonde (achterste) |
| D3 | ingang: signaal (-) lambdasonde (achterste) |
| D4 | ingang: sonde temperatuur koelvloeistof motor |
| E1 | (vrij) |
| E2 | (vrij): verwarming lambdasonde (+) (bij de ingang van de katalysator) |
| E3 | ingang: signaal (+) lambdasonde (achterste) |
| E4 | ingang: informatie koelvloeistoftemperatuur (temperatuursensor koelvloeistof) |
| F1 | (vrij) |
| F2 | uitgang: aansturing van het dubbelrelais van het motormanagement |
| F3 | ingang: signaal nokkenassensor |
| ingang: fasedetector geïntegreerd in de bobine | |
| F4 | ingang: signaal positie van de recirculatieklep van het uitlaatgas |
| G1 | uitgang: bediening motor smoorklep (+) |
| G2 | (vrij) |
| G3 | uitgang: bediening dubbele bobine (cilinders 1-4) |
| G4 | uitgang: aansturing van de recirculatieklep van het uitlaatgas |
| H1 | uitgang: bediening motor smoorklep (-) |
| H2 | (vrij) |
| H3 | uitgang: bediening dubbele bobine (cilinders 2-3) |
| H4 | massa |
| nummer van de aansluiting | verklaring van de aansluitingen |
|---|---|
| A1 | (vrij) |
| A3 | ingang: signaal mengselsamenstelling (+) lambdasonde (voorste) |
| A4 | (vrij) |
| B1 | ingang: signaal (+) van de toerensensor en de BDP-sensor |
| B2 | ingang: signaal (-) van de toerensensor en de BDP-sensor |
| B3 | ingang: signaal (-) lambdasonde (voorste) |
| B4 | (vrij) |
| C1 | ingang: druk in het inlaatspruitstuk (+) |
| C2 | massa: druk in het inlaatspruitstuk (-) |
| C3 | + 5-volts voeding (sensoren) |
| C4 | (vrij) |
| D1 | (vrij) |
| D2 | (vrij) |
| D3 | (vrij) |
| D4 | (vrij) |
| E1 | + 5-volts voeding (sensoren) |
| E2 | (vrij) |
| E3 | (vrij) |
| E4 | (vrij) |
| F1 | (vrij) |
| F2 | uitgang: aansturing klep van het koolstoffilter |
| F3 | uitgang: dubbelrelais van het motormanagement |
| F4 | (vrij) |
| G1 | (vrij) |
| G2 | uitgang: aansturing verstuiver nr. 3 (massa) |
| G3 | uitgang: aansturing verstuiver nr. 2 (massa) |
| G4 | (vrij) |
| H1 | massa |
| H2 | uitgang: aansturing verstuiver nr. 1 (massa) |
| H3 | uitgang: aansturing verstuiver nr. 4 (massa) |
| H4 | + 12 V na contact (hoofdvoeding) |
| nummer van de aansluiting | verklaring van de aansluitingen |
|---|---|
| A1 | ingang: gaspedaalsensor signaal 1 |
| A2 | ingang: gaspedaalsensor signaal 2 |
| A3 | massa |
| A4 | (vrij) |
| B1 | + 5-volts voeding: gaspedaalsensor |
| B2 | (vrij) |
| B3 | (vrij) |
| B4 | informatie + na contact |
| C1 | (vrij) |
| C2 | (vrij) |
| C3 | (vrij) |
| C4 | (vrij) |
| D1 | (vrij) |
| D2 | uitgang: aansturing klep van het koolstoffilter |
| D3 | (vrij) |
| D4 | (vrij) |
| E1 | (vrij) |
| E2 | (vrij) |
| E3 | ingang: manocontact van stuurbekrachtiging |
| E4 | ingang: druksensor koelmiddel |
| F1 | ingang: koppelingsschakelaar |
| F2 | ingang: storingsdiagnose koelventilatoren |
| F3 | (vrij) |
| F4 | (vrij) |
| G1 | (vrij) |
| G2 | ingang: wagensnelheid |
| G3 | (vrij) |
| G4 | (vrij) |
| H1 | (vrij) |
| H2 | diagnose bedrading k |
| H3 | communicatiecircuit: CAN-netwerk H |
| H4 | communicatiecircuit: CAN-netwerk L |
| J1 | (vrij) |
| J2 | (vrij) |
| J3 | (vrij) |
| J4 | uitgang: aansturing koelventilator 1 |
| K1 | massa |
| K2 | (vrij) |
| K3 | (vrij) |
| K4 | uitgang: aansturing koelventilator 2 |
| L1 | (vrij) |
| L2 | (vrij) |
| L3 | (vrij) |
| L4 | massa |
| M1 | ingang: schakelaar snelheidsregeling |
| M2 | (vrij) |
| M3 | (vrij) |
| M4 | massa |