Inhoud Bedradingsschema's Sectie: Complete motor Alle secties

Werking: inspuiting (EW12J4) Peugeot 607 I facelift

Complete motor ~ 1725 woorden

Dubbelrelais injectie (BSM)

(1) dubbelrelais

Het dubbelrelais is opgenomen in de zekering- en relaiskast van de motor (BSM)

Het eerste relais zorgt voor de voeding van de volgende onderdelen

  • De elektronische eenheid injectie/inspuiting
  • De lambdasondes

Het tweede relais zorgt voor de voeding van de volgende onderdelen

  • Opvoerpomp (lage druk)
  • Elektronische eenheid inspuiting (vermogenstrap)

De airbagmodulatoren zijn voorzien van de functie onderbreking voeding opvoerpomp (laten vervallen van de traagheidsschakelaar)

De 2 relais worden bediend door de elektronische eenheid inspuiting

De BSM kan bij een aanrijding de voeding van het tweede relais onderbreken

Bij het afgaan van een gordelspanner of airbag wordt de brandstoftoevoer onderbroken (onderbreking voeding van tweede relais)

Starten van de motor

  • Zet het contact af
  • Zet het contact aan

OpmerkingAls het contact is afgezet, blijft de voeding van het dubbelrelais gedurende 10 seconden gehandhaafd, of 6 minuten in het geval van nakoeling (eerste en tweede relais)

Toerentalsensor (1313)

Verzekerde functies

De sensor is tegenover de tanden op het vliegwiel aangebracht

Taak van de elektronische eenheid inspuiting aan de hand van de ontvangen informatie

  • Controle van het stationair toerental
  • Bepalen van de stand van het draaiend gedeelte
  • Berekenen van de ontstekingsvervroeging
  • Regelen van het stationair toerental

Beschrijving

Het betreft een inductieve sensor

Samenstelling van de sensor

  • Een permanente magneet
  • Een spoel

De sensor levert een elektrisch signaal als er een tand op het vliegwiel passeert (verandering van het magnetisch veld)

De 58 tanden dienen om het toerental van de motor te bepalen

De 2 ontbrekende tanden dienen om de stand van de krukas te kunnen bepalen (geen signaal)

OpmerkingDe grootte van de luchtspleet is niet afstelbaar

Bijzonderheden elektrische installatie

Bestemming van de aansluitingen van de stekker

  • Aansluiting 1: signaal
  • Aansluiting 2: massa
  • Aansluiting 3: afscherming (*)

(*) volgens uitvoering

Weerstand tussen aansluiting 1 en 2: 425 - 525 Ω

Bijzonderheden van de verzonden signalen: wisselspanning met variabele frequentie

Plaats

Plaats: op het koppelingscarter

Wagensnelheidssensor (1620)

Toepassing: afhankelijk van de uitvoering

Verzekerde functies

De sensor informeert de elektronische eenheid over de snelheid van de auto

Taak van de elektronische eenheid inspuiting aan de hand van de ontvangen informatie

  • Bepalen van de snelheid van de auto
  • Bepalen van de ingeschakelde versnelling
  • Verbeteren van het stationair toerental tijdens het rijden
  • Verbeteren van de acceleratie
  • Verminderen van het schokken en stoten van de motor

Beschrijving

Sensor met "Hall-effect"

  • 5 "pieken" per meter
  • 8 "pieken" per omwenteling

Bijzonderheden elektrische installatie

Bestemming van de aansluitingen van de stekker

  • Aansluiting 1: + 12-volts voeding (dubbelrelais motormanagementsysteem)
  • Aansluiting 2: massa
  • Aansluiting 3: signaal

Plaats

De sensor bevindt zich op de versnellingsbak

De positiesensor nokkenas (1115)

Verzekerde functies

Taak van de elektronische eenheid inspuiting aan de hand van de ontvangen informatie

  • Synchroniseren van de inspuitingen ten opzichte van de stand van zuigers
  • Herkennen van het BDP
  • Bepalen van het overslaan van de motor

Beschrijving

Sensor met "Hall-effect"

De nokkenassensor stuurt een blokvormig signaal naar de elektronische eenheid inspuiting

Bijzonderheden elektrische installatie

Bestemming van de aansluitingen van de stekker

  • Aansluiting 1: + 5-volts voeding
  • Aansluiting 2: signaal
  • Aansluiting 3: massa

De spanning varieert van 0 tot 5 V

Verzonden signaal

  • Sensor aan een metalen massa: 0 Volt
  • Sensor niet aan een metalen massa: 5 Volt

Plaats

Plaats: op cilinderkop, tegenover een inpulsrand aangedreven door de nokkenas

Gaspedaalsensor (1261)

Verzekerde functies

De sensor is via een kabel met het gaspedaal verbonden

Taak van de sensor

  • Registreert het commando van de bestuurder (acceleratie, snelheidsvermindering)
  • Geeft de informatie door aan de inspuitcomputer

Taak van de elektronische eenheid inspuiting aan de hand van de ontvangen informatie

  • Bepalen van de stand van de gemotoriseerde smoorklep
  • Bepalen van de injectietijd
  • Bepalen van de vervroeging van de ontsteking

Beschrijving: gaspedaalsensor op afstand

Betreffende wagen: Citroën C8

De gaspedaalsensor levert 2 signalen (spanning)

De waarde van het spanningssignaal is gelijk aan de helft van het andere signaal

De signalen op de aansluitingen van de stekker worden voortdurend met elkaar vergeleken om eventuele storingen te kunnen ontdekken

OpmerkingDe gaspedaalsensor heeft geen contact

Bestemming van de aansluitingen van de stekker

  • Aansluiting 1: uitgangssignaal 1
  • Aansluiting 2: uitgangssignaal 2
  • Aansluiting 3: 5 Volt
  • Aansluiting 4: massa

Gaspedaal los

  • Spanning tussen massapunt en aansluiting 1: 0,3 tot 0,6 V
  • Spanning tussen massapunt en aansluiting 2: 0,15 tot 0,3 V

Gaspedaal volledig ingetrapt

  • Spanning tussen massapunt en aansluiting 1: 3,5 tot 4 V
  • Spanning tussen massapunt en aansluiting 2: 1,75 tot 2 V

Plaats in de motorruimte

Beschrijving: gaspedaalsensor in gaspedaal

Betreffende wagen: CITROËN XSARA 2

De gaspedaalsensor levert 2 signalen (spanning)

De waarde van het spanningssignaal is gelijk aan de helft van het andere signaal

De signalen op de aansluitingen van de stekker worden voortdurend met elkaar vergeleken om eventuele storingen te kunnen ontdekken

OpmerkingDe gaspedaalsensor heeft geen contact

Bijzonderheden elektrische installatie

Bestemming van de aansluitingen van de stekker

  • Aansluiting 1: uitgangssignaal 1
  • Aansluiting 2: uitgangssignaal 2
  • Aansluiting 3: 5 Volt
  • Aansluiting 4: massa

Gaspedaal los

  • Spanning tussen massapunt en aansluiting 1: 0,3 tot 0,6 V
  • Spanning tussen massapunt en aansluiting 2: 0,15 tot 0,3 V

Gaspedaal volledig ingetrapt

  • Spanning tussen massapunt en aansluiting 1: 3,5 tot 4 V
  • Spanning tussen massapunt en aansluiting 2: 1,75 tot 2 V

Sonde temperatuur koelvloeistof motor (1220)

Verzekerde functies

De koelvloeistoftemperatuursensor informeert de elektronische eenheid over de temperatuur van de koelvloeistof

Taak van de elektronische eenheid inspuiting aan de hand van de ontvangen informatie

  • Aanpassen van de inspuithoeveelheid tijdens starten
  • Stel het stationaire toerental af
  • Zorgen voor een geleidelijke daling van het verhoogd stationair toerental naarmate de motor op temperatuur komt

Beschrijving

De sonde is opgebouwd uit een weerstand van het type CTN (weerstand met negatieve temperatuurscoëfficient)

Hoe hoger de temperatuur, des te kleiner de weerstand

Bijzonderheden elektrische installatie

Voeding: elektronische eenheid inspuiting

Bestemming van de aansluitingen van de stekker

  • Aansluiting 1: + 5-volts voeding
  • Aansluiting 2: signaal

Elektrische kenmerken

  • Weerstand bij 20 °C = 6250 ohm
  • Weerstand bij 80 °C = 600 ohm

Luchttemperatuursonde (1310)

Verzekerde functies

De sensor luchttemperatuur informeert de elektronische eenheid over de temperatuur van de aangezogen lucht

Taak van de elektronische eenheid inspuiting aan de hand van de ontvangen informatie

  • Berekenen van de dichtheid van de omgevingslucht
  • Bepalen van de hoeveelheid te injecteren brandstof

Beschrijving

De sensor bestaat uit een NTC-weerstand (negatieve temperatuurscoëfficiënt)

Hoe hoger de temperatuur, des te kleiner de weerstand

Bijzonderheden elektrische installatie

Elektrische kenmerken

  • Weerstand bij 20 °C = 6250 ohm
  • Weerstand bij 80 °C = 600 ohm

Pingelsensor (1120)

Verzekerde functies

Doordat de sensor een pingelsignaal afgeeft kan de computer de ontstekingsvervroeging corrigeren (reductie)

Het pingelen is een trillingsverschijnsel dat optreedt door een detonerende verbranding van het lucht/brandstofmengsel in één van de 4 cilinders

De sensor stuurt in geval van pingelen spanningspieken naar de elektronische eenheid inspuiting

Aan de hand van de informatie over het pingelen vermindert de elektronische eenheid de onstekingsvervroeging en zorgt hij tegelijkertijd voor een rijker lucht/brandstofmengsel

Bijzonderheden elektrische installatie

Voeding: elektronische eenheid inspuiting

Bestemming van de aansluitingen van de stekker

  • Aansluiting 1: + 5-volts voeding
  • Aansluiting 2: signaal
  • Aansluiting 3: afscherming (*)

(*) volgens uitvoering

Plaats

Plaats: motorblok

Voorste lambdasonde (1350)

Verzekerde functies

Plaats: de lambdasonde is in de uitlaat geplaatst tussen de motor en de katalysator

De koolwaterstoffen beïnvloeden de referentielucht in de sonde en daarmee het mengselsignaal

Taak van de elektronische eenheid inspuiting aan de hand van de ontvangen informatie

  • Bepalen van het mengsel (mengselregeling)
  • Mengselregeling

Beschrijving

De lambdasonde levert praktisch permanent informatie aan de elektronische eenheid over het lucht-benzinemengsel

De informatie "rijk" of "arm" wordt verkregen door een spanning van 0 tot 1 V

  • Arm mengsel = 0,1 V
  • Rijk mengsel = 0,9 V

Een in dit element geïntegreerde verwarmingsvoorziening zorgt ervoor dat hij snel zijn bedrijfstemperatuur kan bereiken (hoger dan 300 °C)

Bijzonderheden elektrische installatie

De sonde is voorzien van een 4-polige stekker met beugel

Bestemming van de aansluitingen van de stekker

  • Aansluiting 1: + 12-volts voeding (verwarming van de lambdasonde)
  • Aansluiting 2: massa
  • Aansluiting 3: signaal +
  • Aansluiting 4: signaal -

Manocontact van stuurbekrachtiging (7001)

Verzekerde functies

Het manocontact van de stuurbekrachtiging stelt de motor in staat het stationair toerental te verhogen bij parkeermanoeuvres

Omstandigheden voor het verhogen van het stationair toerental

  • Snelheid lager dan 4 km/h
  • Manocontact bediend (stuurbekrachtiging)

Plaats

Op de leiding tussen de pomp en de stuurklep

Elektronische eenheid inspuiting (1320)

Verzekerde functies

De motormanagementcomputer regelt de injectie aan de hand van de informatie over de belasting

  • De elektronische eenheid injectie berekent het vereiste motorkoppel aan de hand van informatie van de sensor gaspedaal
  • Daarbij wordt rekening gehouden met diverse aanpassingen (koppel geabsorbeerd door de dynamo, de aircocompressor,...)
  • Het gevraagde koppel wordt vertaald in een bepaalde injectieduur en -timing, de stand van de smoorklep en de vervroeging van de ontsteking

De computer regelt de ontsteking en de inspuiting aan de hand van de verschillende parameters die hij ontvangt

Deze parameters zijn

  • Het motortoerental en de stand van de krukas (BDP-sensor - positiesensor nokkenas)
  • De druk van de inlaatlucht (druksensor)
  • De stand van de smoorklep (smoorkleppotentiometer)
  • De motortemperatuur temperatuursensor koelvloeistof
  • De temperatuur van de in de cilinders gevoerde lucht (sensor luchttemperatuur)
  • De snelheid van de auto (sensor rijsnelheid)
  • Het zuurstofgehalte van het uitlaatgas (lambdasonde)
  • Het pingelen (pingelsensor)
  • Het inschakelen van de airconditioning
  • De accuspanning
  • De druk in het circuit van de stuurbekrachtiging
  • Elektronische eenheid automatische transmissie

Met gebruikmaking van deze informatie bedient de elektronische eenheid

  • De ontstekingsvervroeging en de bekrachtigingsstijd van de bobine
  • Regeling van het stationair toerental: Motortemperatuur, accuspanning, parkeermanoeuvre, AUTOMAAT en airconditioning
  • De hoeveelheid ingespoten benzine, evenredig aan de openingstijd van de verstuivers
  • De regeling van het stationair toerental
  • De benzinepomp
  • De recirculatie van de benzinedampen (elektroklep koolstoffilter)
  • De onderbreking van de injectie bij overtoerentallen en tijdens gas terugnemen
  • De onderbreking van de airconditioning
  • Het uitschakelen van de airconditioning (actuele verbruik)
  • De toerenteller
  • Diagnoselamp
  • De verwarmingsweerstand van de lambdasonde (achterste lambdasonde, voorste lambdasonde)
  • De secundaire luchtpomp (functie luchtinjectie in de uitlaat)
  • De klep van de uitlaatgasrecirculatie

De elektronische eenheid regelt eveneens de volgende functies

  • De noodloopfuncties
  • De diagnose met registratie van storingen m.b.v. een diagnosegereedschap
  • Schakelaar snelheidsregeling
  • Het verminderen van het motorkoppel tijdens het ingrijpen door het ESP
  • Koeling motor
  • Behoefte aan koeling voor airconditioningssysteem (BRAC)
  • Snelheidsregeling
  • Transponder
  • Dialoog met de overige computers (BVA, ISC, ABS,...) via het netwerk CAN (**)

(*) EOBD: European On Board Diagnosis, diagnose aan onderdelen van de emissieregelsystemen

(**) CAN = Controller Area Network

Updaten van de software van de elektronische eenheid motor door middel van herprogrammeren (elektronische eenheid met een flash EPROM)

Bestemming van de aansluitingen van de stekker

nummer van de aansluitingverklaring van de aansluitingen
A1ingang: gaspedaalsensor signaal 1
A2ingang: gaspedaalsensor signaal 2
A3ingang: druksensor koelmiddel
A4(vrij)
B1+ 5-volts voeding: gaspedaalsensor
B2ingang: remcontact
B3(vrij)
B4de informatie wordt verkregen via het commando dat door de intelligente servicecentrale (ISC) is verstuurd
C1(vrij)
C2(vrij)
C3uitgang AC/OUT
C4uitgang: diagnoselamp (massa)
D1(vrij)
D2uitgang: aansturing klep van het koolstoffilter
D3ingang: informatie bediening airconditioning (door de temperatuur AC-TH)
D4+ 5-volts voeding: druksensor koelmiddel
E1(vrij)
E2(vrij)
E3ingang: manocontact van stuurbekrachtiging
E4ingang: druksensor koelmiddel
nummer van de aansluitingverklaring van de aansluitingen
F1ingang: koppelingsschakelaar
F2ingang: storingsdiagnose koelventilatoren
F3communicatiecircuit gecodeerde startbeveiliging
F4ingang: activeren van de elektronische eenheid injectie, activeren voor startblokkering
G1(vrij)
G2ingang: wagensnelheid
G3(vrij)
G4(vrij)
H1(vrij)
H2diagnose bedrading K
H3communicatiecircuit: CAN-netwerk H
H4communicatiecircuit: CAN-netwerk L
J1(vrij)
J2uitgang: motortoerental
J3(vrij)
J4uitgang: aansturing koelventilator 1
K1massa: positiesensor van de nokkenas
K2(vrij)
K3uitgang: waarschuwing koelvloeistoftemperatuur
K4uitgang: aansturing koelventilator 2
L1(vrij)
L2(vrij)
L3(vrij)
L4massa
M1ingang: schakelaar snelheidsregeling
M2uitgang: aansturing massa van het relais van de pomp van de luchtinjectie in de uitlaat
M3ingang: minimum brandstofvoorraad
M4massa
nummer van de aansluitingverklaring van de aansluitingen
A1+ 5-volts voeding: positiesensor van de nokkenas
A2(vrij)
A3ingang: positiesensor EGR-klep
A3ingang: signaal positie van de recirculatieklep van het uitlaatgas
A4(vrij)
B1+ 5-volts voeding
B2+ 5-volts voeding
B3ingang: signaal (-) van de toerentalsensor
B4(vrij)
C1massa: druk in het inlaatspruitstuk (-)
C2ingang: signaal (-) lambdasonde (bij de ingang van de katalysator)
C3ingang: signaal mengselsamenstelling (+) lambdasonde (bij de ingang van de katalysator)
C4ingang: signaal (+) lambdasonde (bij de ingang van de katalysator)
D1massa: sonde temperatuur koelvloeistof motor
D2+ 5-volts voeding: sensor stand smoorklep
D3ingang: signaal nokkenassensor
D4(vrij)
E1massa: druksensor inlaatlucht
E2ingang: signaal (-) lambdasonde (achter de katalysator)
E3ingang: signaal (+) van de toerentalsensor
E4uitgang: verwarming lambdasonde (+) (achter de katalysator)
F1massa: positiesensor van de nokkenas
F2(vrij)
F3uitgang: bediening dubbelrelais (BSM)
F4uitgang: verwarming lambdasonde (+) (achter de katalysator)
G1uitgang: ontsteking cilinder nr. 4
G2uitgang: bediening motor smoorklep (+)
G3uitgang: bediening motor smoorklep (-)
G4+ 12 V na contact (hoofdvoeding)
H1uitgang: ontsteking cilinder nr. 2
H2uitgang: ontsteking cilinder nr. 1
H3uitgang: ontsteking cilinder nr. 3
H4massa
nummer van de aansluitingverklaring van de aansluitingen
A1(vrij)
A2(vrij)
A3(vrij)
A4(vrij)
B1ingang: laden dynamo
B2ingang: signaal (+) van de pingelsensor
B3(vrij)
B4(vrij)
C1ingang: informatie koelvloeistoftemperatuur
C2(vrij)
C3+ 5-volts voeding: (sensoren)
C4(vrij)
D1ingang: druk in het inlaatspruitstuk (+)
D2(vrij)
D3(vrij)
D4(vrij)
E1ingang: luchttemperatuursonde (+)
E2ingang: gasklepsensor nr. 2
E3ingang: gasklepsensor nr. 1
E4uitgang: aansturing van de recirculatieklep van het uitlaatgas
F1ingang: signaal van de pingelsensor (-)
F2(vrij)
F3uitgang: aansturing klep van het koolstoffilter
F4uitgang: elektroklep verstelling nokkenas
G1(vrij)
G2uitgang: aansturing verstuiver nr. 4 (massa)
G3uitgang: aansturing verstuiver nr. 2 (massa)
G4uitgang: bediening relais geïntegreerd in BSM
G4uitgang: dubbel relais injectie BSM
H1massa
H2massa
H3uitgang: aansturing verstuiver nr. 1 (massa)
H4uitgang: aansturing verstuiver nr. 3 (massa)