Principeschema
| merkteken | beschrijving | aanduiding in elektrisch schema's |
|---|---|---|
| "A" | elektrische aansluiting | - |
| (1) | elektronische eenheid motor | 1320 |
| (2) | motortoerentalsensor | 1313 |
| (3) | bobineblok | 1135 |
| (4) | bougies | - |
| (5) | cilindersensoren | 1115 |
| (6) | pingelsensor | 1120 |
Ontstekingsprincipe
De ontsteking bestaat uit het in gang zetten en houden van de ontsteking van het lucht/brandstofmengsel dat is aangezogen door de zuigers in de cilinders van de motor
Het lucht/brandstofmengsel wordt ontstoken door de vonk van de bougies
De verbranding van het lucht/brandstofmengsel heeft een concentrisch verloop, men moet daarom een ontstekingsvervroeging toepassen die afhankelijk is van de duur van de verbranding
De bobines zijn verbonden met een compacte modulator die op de cilinderkop is bevestigd
Principe van de ontstekingsvervroeging
Door het vervroegen van de ontsteking tot voordat de zuiger het bovenste dode punt (BDP) bereikt, is de uitgeoefende druk op de zuiger maximaal als deze het BDP passeert
Het interval in krukasgraden tussen het moment waarop de ontsteking plaatsvindt en het bovenste dode punt (BDP) is de ontstekingsvervroeging
De berekening van de ontstekingsvervroeging is afhankelijk van de volgende parameters
- Wens van de bestuurder
- Regeling stationair toerental
- Motortoerental
- Positie van de inlaatnokkenas
- Informatie pingelen
- Lucht/brandstofverhouding (lambda)
Elektronische eenheid motor
De vermogens- en bedieningsfases van de bobines zijn geïntegreerd in de elektronische eenheid motor (geen externe ontstekingsmoduul aanwezig)
De elektronische eenheid motor stuurt in volgorde van ontsteking (1-3-4-2) de primaire circuits van de bobines aan
De synchronisatie van de ontsteking wordt uitgevoerd aan de hand van informatie van de positiesensor van de inlaatnokkenas.